Het Afgaanse meisje

Voor de vorm maakte ik de grote wond bij de linker achterpoot schoon en deed er een lapje op. De wond stonk en het diertje lag er zieltogend bij. Ze bedankte en vroeg of ze de volgende dag terug mocht komen als het niet goed zou gaan. Ik legde uit dat wij dokters waren voor mensen en dat we niet zoveel van dieren af wisten. Ze vroeg nog of de dokters van het Rode Kruis wel wat van dieren afwisten. Ik moest haar teleurstellen. Met het pakketje in haar armen liep ze het hek uit, over de grindweg terug naar haar tent.

Haar verhaal kende ik niet, maar kon er wel iets bij bedenken. Waarschijnlijk waren haar ouders twee jaar geleden samen met haar en haar broertjes en zusjes Afghanistan ontvlucht. Huis en haard hadden ze achtergelaten. Na een zware tocht waren ze in Turkije terecht gekomen. Ze wilden oversteken naar Lesbos om in het veilige Europa terecht te komen. Daar hoopten ze op een toekomst voor kun kinderen. Met hun laatste geld betaalden ze de mensenhandelaar om in de nacht overgezet te worden in een volgepakte rubberboot. Die nacht had er een koude wind gestaan en de zee was ruw. Voor hun kinderen waren er geen zwemvesten geweest. De kleintjes hadden het moeten doen met “zwemvleugeltjes”. Het was een opluchting toen ze door de rotsachtige branding van Lesbos waadden.  De rubberboot met de zwemvesten en de zwemvleugeltjes bleven achter op het strand. De blijdschap van de landing op Lesbos duurde niet lang. Na een lange, uitputtende wandeling kwamen ze terecht in het chaotische kamp Moria. In deze anarchistische omgeving probeerden ze een huiselijk plekje te creëren in een klein tentje tussen de modderpoelen. Ze begonnen een asielprocedure. Helaas kregen ze onvoldoende juridische bijstand en hun aanvraag werd twee keer afgewezen. De veilige toekomst voor de kinderen leek in rook op te gaan. Niet alleen de toekomst ging in rook op, ook het hele kamp Moria brandde af. De familie werd overgebracht naar het nieuwe kamp. Dat leek meer geordend, maar ze daar werden ze  met een ander gezin in een klapperende tent ondergebracht, wat de nodige strubbelingen gaf. Ze sliepen op een paar dekens op pallets. Kleding en voedsel kregen ze via de hulporganisaties. Ook medische hulp was er. Wij namen daarbij de avond- en weekenddiensten voor onze rekening. De kinderen konden naar school, maar verder was er niets. Geen speelgoed, geen uitjes, geen sportclub voor de kinderen. Het meisje had het konijntje gevonden. Het was haar huisdier.

De paus kwam langs. Ontroerd riep hij op om “naar  de gezichten van kinderen te kijken”. “Laten we de moed hebben om ons te schamen voor hen, die onschuldig zijn en de toekomst vertegenwoordigen”. Hij hekelde “de onverschilligheid, het cynisme en de desinteresse” die deze “mensen in de marge” veroordeelt tot de dood. Ik weet niet of het meisje en haar familie bij het bezoek van de paus zijn geweest. In het beste geval zijn ze vertrokken omdat ze door de veranderde situatie in Afghanistan toch hun papieren hebben gekregen.